Synecologie
Synecologie gaat over levensgemeenschappen en hun functioneren in onderlinge samenhang en in de abiotische omgeving. Een levensgemeenschap is iedere samenstelling van populaties van levende organismen in een vastgesteld gebied of habitat. Een levensgemeenschap kan iedere grootte aannemen. Zo is de samenstelling van alle levende organismen (planten en dieren) in een vijver een levensgemeenschap. Er zijn aan een levensgemeenschap een aantal kenmerken toe te schrijven, die niet op het niveau van populaties zijn te meten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de soortendiversiteit (zie ook het stuk over structuren), structuur in de vorm van de groeiwijze, grootte en vorm van bijvoorbeeld de planten, abundantie en dominantie van soorten (hoe ziet de verdeling van aantallen van soorten eruit en welke soorten komen het meest voor) en de trofische structuur (wie eet wie?), dus de voedselrelaties.
Successie
De levensgemeenschap is niet statisch, maar dynamisch. Met andere woorden: de samenstelling van de soorten in een levensgemeenschap van een bepaald gebied is voortdurend aan verandering onderhevig. In theorie komen er in de loop van de tijd steeds meer soorten bij, doordat soorten vanuit de omgeving de kans krijgen om te migreren naar het gebied en dan in relatie komen met de al aanwezige soorten. Hierdoor wordt het voedselweb steeds ingewikkelder en meer vervlochten, wat in theorie de stabiliteit van de levensgemeenschap verhoogd. Een dergelijke verandering van de levensgemeenschap wordt aangeduid met de term successie.
Als voorbeeld een nieuw gegraven sloot, bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk. Bij het inrichten van een dergelijke wijk tekent de gemeente ook waterpartijen op de kaart, die vervolgens door grote machines gegraven worden. Een sloot begint dus als een sleuf in de grond, die vervolgens volloopt met grondwater of aangesloten wordt op al aanwezige sloten en wateren en zo zijn water krijgt. In eerste instantie zit er nog niet veel leven in een dergelijke sloot. Al snel zullen vliegende soorten als wantsen en kevers het water koloniseren. Ook kleine soorten als watervlooien en cyclops kunnen in de vorm van eieren met de wind mee in het water terecht komen. Eencellige algen komen ook door de lucht in het water terecht. Hierdoor ontstaat al een snel een eenvoudig voedselweb van soorten die worden aangeduid als pioniers. Pioniersoorten kunnen dus snel een nieuw gebied bevolken en omdat ze nog geen of weinig vijanden in het gebied hebben, kunnen ze snel tot grote populaties groeien. Dergelijke snelgroeiende soorten worden aangeduid met als r-strategen. (zie ook het verhaal over de paardebloem onder 'divers')
In de loop van de tijd komen er meer planten en dieren in de sloot. Planten kunnen worden aangevoerd via zaden of doordat stukjes aan veren en poten van watervogels blijven zitten. Als de plantengroei op gang komt, veranderd ook het habitat voor de dieren. Er komt meer structuur in de sloot, waardoor er schuilplaatsen ontstaan en ander voedsel voor herbivoren beschikbaar komt. Hierdoor kunnen andere, nieuwe soorten in de levensgemeenschap een plek vinden en worden de pionierssoorten teruggedrongen. Er vindt een successie plaats.
Stabiliteit en cyclische successie
In principe kan successie altijd doorgaan. In de praktijk onderscheidt de ecologie echter wel een eindstadium, de climax-situatie. Voorbeelden op het land zijn oude bossen. De verandering in dergelijke vegetaties vinden nog maar langzaam plaats. Ook een sloot kent een eindstadium, namelijk als deze volledig verland is. Verlanden is het proces, waarbij de sloot steeds dichter begroeid raakt en door het afgestorven plantenmateriaal de bodem steeds meer omhoog komt. Hierdoor verandert een sloot via een moeras in een vochtig bos. Het climaxstadium van een sloot is dus eigenlijk het verdwijnen van die sloot. Nu vinden mensen dat geen wenselijke situatie. Zij heben de sloot immers gegraven om het water af te voeren en een verlande sloot doet dat niet meer. Daarom wordt er regelmatig geschoond of gebaggerd. Schonen is het weghalen van alleen planten en bij baggeren wordt ook nog een deel van de bodem meegenomen. Baggeren is een ingrijpender proces dan schonen. Door deze ingrepen wordt de successie onderbroken, het habitat verstoord of zelf vernietigd en wordt de sloot een stuk teruggezet in zijn ontwikkeling. In een extreme situatie rest na een baggerbeurt een kale sloot, alsof deze net gegraven is. De successie kan opnieuw beginnen. Het periodiek terugzetten van de successie, als dit tenminste niet te rigoreus gebeurt door bijvoorbeeld schonen, zorgt op den duur voor een situatie die is aangepast aan die periodieke verstoring. Er vindt dus een cyclsche successie plaats, die een eigen soortengemeenschap kent en beter bestand is tegen uitwendige invloed. De gemeenschap herstelt sneller en kan de verstoring beter opvangen dan een ongestoorde gemeenschap in het zelfde successiestadium. De gemeenschap is dus stabieler en kent een vorm van cyclische successie. Kenmerkent voor dergelijke gemeenschappen zijn soorten die in pionierssituaties zijn te vinden, naast soorten die een meer ontwikkeld en stabiel milieu prefereren. Echt gevoelige soorten zul je in deze gemeenschappen niet aantreffen.