Paardebloemen (Taraxacum spec.)
Wie kent ze niet, de Paardebloemen? In Nederland komt hij algemeen voor in ieder denkbaar milieu. Zo algemeen en toch zo bijzonder. Juist het feit dat deze plant in zo veel milieus voorkomt, zou een aanwijzing moeten zijn, dat er iets mee aan de hand is. Wat dat is, wordt hier uit de doeken gedaan. Daartoe is dit verhaal in 3 stukken verdeeld:
  • De bouw van de plant;
  • de voortplanting;
  • de ecologie.

In Nederland worden ongeveer 200 verschillende soorten Paardebloemen benoemd. Deze soorten onderscheiden zich onderling voornamelijk in hun grootte, vorm en kleur van de bloem en vorm en kleur van het blad. Dat er zoveel soorten worden onderscheiden, komt door de speciale manier van voortplanten. De Nederlandse Paardebloemen blijken zich namelijk ongeslachtelijk voort te planten, waardoor er in feite een groot aantal klonen bestaat. Deze klonen zijn dus onderling genetisch identiek. Het zijn dan ook geen echte soorten, maar zgn. microspecies. Door de soortenrijkdom en de vele milieus waarin Paardebloemen voorkomen, is de manier van aanpassen aan hun omgeving de moeite van het bespreken waard.

Paardebloemen behoren tot de familie der samengesteldbloemige (Compositea). Dat betekent, dat wat we als bloem zien in werkelijkheid bestaat uit een groot aantal bloemen, die bij elkaar in en hoofdje staan.

De bouw

tekening van de onderdelen van de Paardebloem

In de figuur worden een aantal onderdelen onderscheiden.

  • 1 Penwortel
  • 2 Blad
  • 3 Bloemhoofdje
  • 4 Eindlob blad
  • 5 Zijlob blad
  • 6 Interlobium
  • 7 Omwindselblaadjes bloem

Niet vermeld is de stengel. Deze bevindt zich ondergronds en is zeer kort en gedrongen. Als je niet goed kijkt, dan ziet deze eruit als een deel van de wortel. Er bevindt zich een rozet van bladeren op, die spiraalsgewijs gerangschikt is. De top van de stengel brengt de bloemen voort en sterft na de bloei af. De lengtegroei van de stengel wordt voortgezet door een uitlopende okselknop van een dieper gelegen blad. Als er meer dan één okselknop uitloopt, dan ontstaat er een Paardebloem met meerdere rozetten. Doordat de stengel ondergronds zit, is deze beschermd tegen maaien, vraat en koude winters.

De wortel is een penwortel, die diep de grond in kan gaan. De vorm wordt bepaald door de grondwaterstand. Indien de plant in een vochtige omgeving staat, dan is de wortel kort en sterk vertakt. In een droge omgeving is de wortel juist lang en weinig vertakt.

Aan het blad worden een aantal onderdelen onderscheiden. De bladsteel loopt door in de hoofdnerf. De insnijdingen van het blad zijn kenmerkend voor de soort en worden onderverdeeld in de eindlob, de zijlobben en de interlobia. De kleur van de bladeren varieert van licht- tot donkergroen, soms met paarse vlekken. De bladsteel en nerven kunnen variëren van fel purperrood tot groen.

een opengesneden hoofdje geeft de bouw weer
de onderdelen van de bloem en vrucht benoemd
een losse buisbloem

De bloem bestaat uit een hoofdje met omwindselbladen. De omwindselbladen staan in twee groepen. De blaadjes van de binnenste groep staan in een krans en zijn van gelijke lengte. De buitenste groep is ongelijk van lengte en kan aanliggend, afstaand of teruggericht zijn. De omwindselblaadjes hebben aan de top soms verdikkingen, die de vorm van hoorntjes kunnen hebben.

De bloemhoofdjes kunnen een groot aantal bloemen bevatten, variërend van 15 tot 400. In tegenstelling tot een aantal andere Compositae bevat de Paardebloem alleen lintbloemen. De bloemkleur is meestal geel en soms lichtgeel Een lintbloem bestaat uit een zevental verschillende onderdelen:

  • 1 Vruchtbeginsel
  • 2 Buisvormig deel van de bloemkroon
  • 3 Pappus
  • 4 Antherenkoker
  • 5 Lintvormig deel bloemkroon
  • 6 Stijl
  • 7 twee stempellobben

De vrucht heeft de volgende onderdelen:

  • 8 vruchtpluis
  • 9 rostrum
  • 10 vruchtlichaam
  • 11 pyramide

De krans van witte haren in de lintbloem, die pappus wordt genoemd, is ontstaan uit de kelkbladen. Zij zullen uitgroeien tot de vruchtpluis. De 5 helmknoppen van de meeldraden zijn vergroeid tot de antherenkoker. Onder aan de antherenkoker zitten de de 5 helmdraden, waarmee de meeldraden op de bloemkroon zijn ingepland. De stempel en voor een deel ook de stijl zijn bij een volwassen bloem door de antherenkoker heen gegroeid. In het bloemhoofdje beginnen de buitenste bloemen als eerste te bloeien. De binnenste bloemen volgen later.

een pluizenbol van een duinpaardebloem
zaadjes op een bloemhoofdje

De vrucht is onderstandig en zit aan een steeltje onder de krans van pappusharen. Na de bloei groei het steeltje uit en drukt de overige onderdelen van de bloem, die nu niet meer nodig zijn, weg. Op een gegeven moment komen zij boven het omwindsel van de dan gesloten bloemhoofd uit. Als de vruchten rijp zijn, dan slaat het omwinsel weer terug en spreiden de pappusharen tot het vruchtpluis. We zien dan de zo kenmerkende pluizenbol, waarop vaak nog de verdroogde bloemkronen met antherenkokers en stijl met stempels zijn te zien.

De vruchtjes van de Paardebloem bevatten één zaadje. We ondescheiden aan zo'n zaadje het vruchtpluis of pappus, het rostrum (steeltje), de pyramide en het vruchtlichaam. Dit laatste heeft ribben en bevat veelal stekels aan de bovenkant. De kleur van de vruchtjes is afhankelijk van de soort en varieert in de tinten grijs, groen, strokleurig, bruin, rood of zwart. De kleur, de grootte en vorm van de vruchtjes zijn belangrijke kenmerken in de systematiek van de Paardebloem. Bij de plaatjes hiernaast heeft de bovenste pluizenbol roodbruin zaad en behoort tot de sectie Erythrosperma (roodzadigen). De onderste zaden zijn donkerbruin en hoort thuis bij de sectie Vulgaria.


De voortplanting

Zoals in de inleiding is gezegd, hebben de Paardebloemen een bijzondere manier van voortplanten. Deze manier wordt aangeduid met agamospermie. Hierbij wordt er parthenogenetisch zaad ontwikkeld. Allemaal moeilijke woorden, die voor de duidelijkheid het beste ruwweg vertaald kunnen worden. Agamosperm bestaat uit drie delen: a (ontkenning, niet), gamein (trouwen) en sperma (zaad). Het woord betekent dus iets als zaad vormen zonder te trouwen. Parthenogenese bestaat uit twee delen: parthenos (maagd) en genesis (ontstaan). Dit betekent dus iets als maagdelijke geboorte. Beide woorden duiden op hetzelfde verschijnsel. Paardebloemen hebben geen bevruchting nodig om zaad te kunnen vormen. Met andere woorden: er is geen stuifmeel nodig om de bloem te bevruchten en rijp zaad te krijgen. Sterker nog: er kan zelfs geen bevruchting optreden, doordat de genetica van de planten dit niet toestaat. De planten zijn zgn. obligaat agamosperm, waarbij obligaat staat voor verplicht. Slechts zeer zeldzaam komt facultatieve agamospermie voor, waarbij er wel een bevruchting optreedt.
de stadia van de mitose
Bovenstaand plaatje geeft microscopische opnamen van een gewone celdeling. In 1, 2 en 3 trekken de chromosomen samen tot korte buisjes. In 4 en 5 gaan zij in het midden van de cel liggen en delen zij zich in 2 groepen. In 6, 7 en 8 worden de chromosomen naar de uiteinden van de cel getrokken en ontrollen weer. In 9 komt er een nieuwe wand in het midden en zijn er 2 cellen ontstaan.

Wat is er aan de hand bij deze planten? Om dat te begrijpen moeten we eerst iets weten over voortplanting in het algemeen, maar dan weer specifiek op het gebied van de erfelijkheid. De erfelijke eigenschappen van alle levende wezens zitten in de genen. Bij hogere organismen zitten deze genen zitten weer bij elkaar in een beperkt aantal hele lange strengen, die we chromosomen noemen. Normaal komen chromosomen in een paar voor, dus 2 van elk chromosoom, waarbij er één komt van de moeder en één van de vader. Het aantal paren chromosomen is per soort verschillend. Paardebloemen zijn normaal diploïd en hebben 2n=2x8=16 chromosomen. Ter vergelijk: Bieslook heeft 9 paar, een Pelikaan 16 paar, een leeuw 19 paar en de mens 23 paar.

Bij een normale voortplanting worden bij de Paardebloem 8 chromosomen geleverd door het stuifmeel (het mannelijk deel) en 8 door de eicel (het vrouwelijk deel), samen weer 16. In Nederland komen vooral Paardebloemen voor met een verstoord aantal chromosomen. Het meest voorkomend is 3n=24 chromosomen, triploïd. Verder komen voor 4n=32 (tetraploïd) en 6n=48 (hexaploïd). Het is voor planten met zo'n afwijkend aantal chromosomen niet mogelijk op een behoorlijke manier hun setje van 8 chromsomen in het stuifmeel of in de eicel te krijgen. Het gevolg daarvan is, dat een normale bevruchting niet mogelijk is. Sterker, een normale bevruchting kan niet voorkomen (hoge uitzonderingen daargelaten, maar dat gaat wat te ver voor dit verhaal). Het zaad rijpt dus zonder dat er een bevruchting heeft plaatsgevonden en dit zaad is dus genetisch volkomen identiek aan de moederplant. Daarmee zijn de nakomelingen klonen en is het voorkomen van de microspecies ook verklaard.


Ecologie van de Paardebloem

Ecologie is de studie van de relaties tussen organismen onderling en met hun omgeving. Dit kan op verschillende niveau’s gebeuren. Er kan gekeken worden naar microsoorten in het algemeen, naar enkele populaties, maar ook naar alle Paardebloemen in het algemeen.

een grafische weergave van milieuvoorkeuren

Paardebloemen komen (in het algemeen) voor tezamen met andere plantensoorten in een bepaald gebied. Zo’n combinatie van verschillende planten wordt een levensgemeenschap genoemd. Alle Paardebloemen binnen de levensgemeenschap samen worden aangeduid met de populatie van Paardebloemen. Een populatie kan bij Paardebloemen bestaan uit verschillende microsoorten. Aangezien deze microsoorten onderling afwijkende genetische eigenschappen hebben, zullen zij niet allemaal dezelfde milieuomstandigheden prefereren. Sommige microsoorten staan liever droog, andere nat. Sommige houden van open grasland, andere juist van hoog opgaande begroeiing. Deze verschillen in preferentie wordt nichedifferentiatie genoemd. Deze differentiatie van milieuvoorkeuren voorkomt dat de microsoorten onderling voortdurend aan het concurreren zijn. Sommige soorten zijn in staat in een brede band van een milieukenmerk te overleven., bv. van nat naar droog. Andere komen alleen in een smalle band voor, bv alleen droog of alleen nat. Uiteraard zijn er soorten die daar weer tussen in zitten.

Niet alleen de milieupreferentie is bepalend. Ook de overlevingsstrategie is belangrijk. Sommige soorten zijn r-strategen en andere zijn K-strategen. Deze begrippen worden op een andere pagina uitgelegd. Dit verschil in strategie blijkt zich zelfs binnen een populatie van dezelde soort voor te doen.

Paardebloemen hebben een groot regeneratievermogen. Als de bladeren worden begraasd of gemaaid, dan worden er snel weer nieuwe gevormd. Ook als de wortel is beschadigd, dan zal deze snel weer uitlopen met behulp van de reservestoffen in het intakte deel van de wortel. Het meest kwetsbare stadium is dat van de kieming en de kiemplantjes. De kieming blijkt afhankelijk te zijn van het milieu waar de soort het beste groeit. Paardebloemen van de duinen bv. kiemen niet als het warm is. Dat voorkomt dat ze ’s zomers in de periode met weinig water uitlopen en verdrogen. Zij kiemen pas als de temperatuur tussen de 5 en 10 graden C is. In het algemeen kiemen Paardebloemen optimaal bij een temperatuur van ongeveer 20 graden C. In vochtige milieus is dat ook geen probleem.een pol Paardebloemen met een naar beneden gericht bloemhoofd

Een andere aardige aanpassing is de beweging van de steel met het bloemhoofdje gedurende de ontwikkeling van het zaad. Nadat een bloem gebloeid heeft, beweegt de steel zich naar de grond en drukt het bloemhoofdje naar beneden. (zie de situatie bij de pijl op het plaatje hiernaast) Het zich ontwikkelende zaad wordt op deze manier zo goed mogelijk beschermd tegen vraat en ander onheil. Zodra het zaad rijp is, richt de steel zich weer op en groeit zelfs wat verder uit. Hierdoor komt de pluizenbol extra ver bover de plant uit en wordt de mogelijk voor de wind om het pluis weg te laten waaien vergroot.

 

Zoals u in dit verhaal heeft kunnen lezen, zijn Paardebloemen interessante planten. Door hun diversiteit kunnen zij als milieuindicatoren gebruikt worden. Probleem blijft wel het op naam brengen van de microsoorten, maar tot op een bepaald niveau is dat nog wel te doen. Een goede flora, zoals die van Heukels, geeft tabellen waarmee ieder het eens kan proberen. Succes.