Libellen in de tuin
>Een tuin achter je huis geeft in het algemeen veel wild dierenleven in je direkte omgeving. Als er ook nog een sloot bij ligt, dan krioelt het al snel om je heen. Vooral insecten zijn gek op de combinatie van planten met water en de meest spectaculaire van deze insecten zijn ongetwijfeld de libellen. De soorten libellen in mijn tuin hebben hun onvolwassen stadium in het water en jagen als volwassen dieren boven het water en in mijn tuin (plus de tuinen van de buren natuurlijk). Om u een indruk te geven van het libellenleven in en rond mijn tuin heb ik geprobeerd alle vookomende soorten te fotograferen. Dat is, zover ik nu kan overzien, gelukt. Het zijn zeven soorten, waarvan vier echte libellen of Anisoptera en drie juffers of Zygoptera.anisoptera

Wat is nu het verschil tussen libellen en juffers?
Op de foto links ziet u een typisch voorbeeld van een echte libelle. Het dier houdt in rust (dus als hij niet vliegt) de vleugels gespreid. Alle libellen, zowel de echte libellen als de juffers, hebben vier vleugels. Bij de echte libellen zijn de onderste vleugels wat breder dan de bovenste vleugels, zij worden daarom ook wel de ongelijkvleugeligen genoemd. De ogen zijn bijzonder groot en raken elkaar in het midden van de kop, of komen in ieder geval dicht bij elkaar. Het achterlijf is vrij breed. De echte libellen zijn in het algemeen groter dan de juffers.

Juffers hebben een smaller achterlijf, de vleugels zijn alle vier gelijk van vorm en staan vaak op een soort steeltje. Zij worden in rust op de rug gevouwen. De ogen staan ver uit elkaar aan de zijkant van de kop. De foto rechts laat nog wat belangrijke lichaamskenmerken van een juffer zien. Zoals alle insecten bestaat het lijf uit een kop, borststuk met de poten en vleugels en een achterlijf. Het achterlijf is opgebouwd uit 10 segmenten, genummerd van S1 tot en met S10. De tekening op het borststuk en de achterlijfsegmenten zijn belangrijke kenmerken bij het op naam brengen van de verschillende soorten. zygoptera met benoemde onderdelenTyperend voor de libellen is de vleugelvlek of pterostigma, een gekleurd vlakje aan de bovenste buitenkant van ieder vleugel.

Alle libellen zijn vleeseters, die al vliegend insecten vangen en vervolgens in de vlucht of zittend opeten. Door de plaatsing van de poten zijn zij in staat deze te gebruiken voor het vangen en vasthouden van hun prooi. De kaken zijn krachtig ontwikkeld. Kleinere soorten kunnen een mens niet echt pijn doen, maar de grotere soorten kunnen gemeen bijten (zoals ik zelf gemerkt heb. Je moet ze wel behoorlijk plagen voor ze dat doen overigens).

Zoals al eerder is gezegd, zijn libellen insecten. Zij behoren echter tot de oudere type insecten, die geen volledige gedaanteverwisseling kennen. Zij hebben dus niet het systeem van de vlinders, waarbij er vier stadia zijn, te weten: ei, larf (ofwel rups), pop en volwassen dier. Libellen slaan het popstadium over. Uit het ei komt een larf, die geen larf wordt gemoemd, maar nymfe. De larven vervellen negen tot zestien maal, waarbij de larf steeds meer op het volwassen dier gaat lijken. larf van de oeverlibelUiteindelijk kruipen ze uit het water, breekt hun huid open en kruipt er een vrijwel volgroeid dier uit. Dit moet eerst zijn vleugels oppompen en laten uitharden, alvorens het kan wegvliegen. In dit stadium zijn de libellen zeer kwetsbaar en kunnen dan makkelijk ten prooi vallen aan bijvoorbeeld vogels. Als zij eenmaal vliegen, dan zijn zij voor de meeste vogels te vlug.
(U kunt overigens op de meeste plaatjes van deze pagina klikken. Er wordt dan een groter exemplaar geladen. Dit neemt echter meer tijd, zodat voor de pagina een kleinere versie wordt gebruikt)
De libellen kennen verschillin tussen de geslachten. Je hebt dus manlijke en vrouwlijke libellen. Deze kunnen in tekening verschillen. Zij verschillen in ieder geval in bouw van de geslachtsorganen. Die zitten bij beide geslachten in S8 en S9. Voor de paring brengt het mannetje zijn sperma vanuit S8 naar een voorraadholte in S2 en S3. Het mannetje is hierdoor te herkennen aan het wat verdikt zijn van de onderkant van S2. Het dier op de voorbeeldfoto met bijschrift hierboven is dus een mannetje.tandem van parende libellenBij de paring pakt het mannetje met behulp van S10 het vrouwje vlak achter de kop vast en vouwt het vrouwjte vervolgens haar achterljf naar S2 van het mannetje. De bevruchting kan nu plaatsvinden.

Het afzetten van de eieren kan op twee manieren gebeuren. Het vrouwtje kan zelfstandig, zonder behulp van het mannetje de eieren afzetten, of het mannetje blijft het vrouwtje vasthouden bij het eiafzetten. De eieren worden door het vrouwtje in waterplanten gestopt door middel van een gaatje dat het vrouwtje boort, of de eieren worden vrij in het water gelegd.


Na deze uitgebreide inleiding wil ik u nu voorstellen aan de verschillende soorten in mijn tuin. Om te beginnen de vier soorten echte libellen.

De gewone oeverlibel Orthetrum cancellatum

mannetje gewone oeverlibel
mannetje
vrouwtje gewone oeverlibel
vrouwtje

De paardenbijter Aeshna mixta en de bruine glazenmaker Aeshna grandis
mannetjes paardenbijter
paardenbijter mannetje
mannetje van de bruine glazenmaker
bruine glazenmaker mannetje

Als laatste van de Anisoptera de glassnijder Brachytron pratense
mannetjes glassnijder
glassnijder mannetje

Van de Zygoptera komen er drie soorten voor. Van twee soorten zijn de mannetjes en vrouwtjes duidelijk verschillend. Deze worden apart weergegeven. De derde soort kent weinig verschil tussen de geslachten, dus daarvan heb ik slechts één foto opgenomen.

De grote roodoogjuffer Erythroma najas

mannetje grote roodoogjuffer
mannetje
vrouwtje grote roodoogjuffer
vrouwtje

De variabele waterjuffer Coenagrion pulchellum
mannetje variabel waterjuffer
mannetje
vrouwtje variabele waterjuffer
vrouwtje

Het lantaarntje Ischnura elegans
lantaarntje
lantaarntje

Literatuur
Ik heb twee boekjes gebruikt voor het op naam brengen van de soorten. Ze zijn beide momenteel in de winkel verkrijgbaar.
  • Frank Bos en Marcel Wasscher (1998): Veldgids libellen. KNNV uitgeverij, Utrecht, tweede druk. ISBN: 90 5011 101 7
  • Gerhard Jurzitza (2001): Libellengids. Tirion uitgeverij, Baarn, (vertaald uit het Duits) ISBN 90 5210 432 8

Het eerste boekje is systematisch ingedeeld, met duidelijke en uitvoerige beschrijvingen, mooie foto's en aanduidingen over de verspreiding en de zeldzaamheid van de dieren. Het tweede boekje deelt de libellen in op plaats van voorkomen, zodat je af en toe wat moet zoeken. Het voordeel hiervan is wel, dat je direkt een idee krijgt welke dieren in welk milieu verwacht kunnen worden. Ik vind het persoonlijk wat te rommelig, maar dat is meer een kwestie van smaak. De beschrijvingen zijn minder uitgebreid, er zijn geen kaartjes met het verspreidingsgebied en de meer wetenschappelijk gerichte algemene beschrijvingen van de libellen is een stuk korter. Daar staat tegen over dat de foto's schitterend zijn, er een determinatietabel aanwezig is en ook de larven worden beschreven.